Als je langs een windpark rijdt, dan zie je het eindresultaat van een jarenlang project. Het plaatsen van een windmolen is namelijk een zorgvuldig proces met veel plannen, meten en rekenen. Daarvoor doen we uitgebreid onderzoek naar wat mag, wat past en wat kan.
In dit artikel vertellen we wat we onderzoeken en waarom dat belangrijk is.
Inhoud van dit artikel
Zorgvuldigheid kost tijd
Het proces van het eerste idee tot de bouw van een windpark duurt al snel vier tot zeven jaar. In die tijd doen we veel onderzoek om zeker te weten dat een project technisch haalbaar is en past in het landschap en de leefomgeving van omwonenden.
Als publiek ontwikkelbedrijf vinden we die zorgvuldigheid belangrijk. Wij gaan namelijk niet voor zo veel mogelijk winst, maar voor maatschappelijke waarde. Ons doel is op een verantwoorde manier duurzame energie opwekken. Dat betekent dat wij onderzoeken niet zien als ‘moetjes’ om een vergunning te krijgen, maar als belangrijke stappen om de impact op omwonenden en natuur inzichtelijk te maken. In het ontwikkelproces worden belanghebbenden vroeg betrokken en omwonenden van het windpark krijgen de mogelijkheid financieel mee te profiteren.
1. De basis: wat mag?
We beginnen met onderzoeken naar wat kan en mag. Je kunt namelijk niet overal wind-of zonneparken bouwen. Er zijn bijvoorbeeld strenge regels voor de natuur, luchtvaart en bebouwing:
- Natuur: in Hart van Brabant zijn afspraken gemaakt over waar we wel en niet willen bouwen. Zo bouwen we alleen onder strikte voorwaarden bij natuurgebieden.
- Luchtvaart: in onze regio hebben we te maken met (laag)vliegzones van Defensie. Maar ook met de aanvliegroutes van Vliegbasis Gilze-Rijen en Eindhoven Airport. Dat betekent dat veel plekken afvallen.
- Woningen: voor woningen geldt een beschermingsnorm voor geluid, slagschaduw en veiligheid. Dat betekent dat er minimale afstanden tot woningen zijn.
- Infrastructuur: er zijn landelijke afstandsnormen tot bijvoorbeeld wegen en spoorlijnen. En we moeten rekening houden met kabels en gasleidingen boven én onder de grond.
Over deze onderwerpen is al veel bekend. Daar kijken we eerst naar. Als we een beeld hebben van waar we niet kunnen bouwen en waar wel iets mogelijk is, kunnen we ‘naar buiten gaan’ voor vervolgonderzoeken.
2. De overheid: wat past?
Het belangrijkste onderzoek is de Omgevingseffectrapportage (OER) of Milieueffectrapportage (MER). Je kunt ze zien als een grote ‘paraplu’ waarbij we van alles toetsen. Het doel van deze rapportages is om de effecten van verschillende alternatieven in beeld te brengen voordat er een besluit wordt genomen.
Daarvoor vergelijken we verschillende alternatieven, waarbij we kijken naar onderwerpen als milieu, natuur en landschap. Maar we onderzoeken ook de economische en sociale effecten, zoals leefbaarheid en gezondheid. Denk bijvoorbeeld aan slagschaduw en geluid.
Dankzij dit onderzoek kunnen we verschillende opstellingen van windmolens met elkaar vergelijken en weten we welke varianten het meest kansrijk zijn. Zo kan de gemeente of provincie besluiten waar een wind- of zonnepark mag komen.
3. De praktijk: wat kan?
Als we een beter beeld hebben van waar we mogelijk een wind- of zonnepark kunnen bouwen, dan volgen er nog allerlei onderzoeken in het gebied zelf. We noemen de belangrijkste:
Natuur: een jaar lang onderzoeken
We bouwen nooit zomaar in de natuur. We moeten bijvoorbeeld zeker weten dat we geen beschermde dieren of planten verstoren. Daar doen we uitgebreid onderzoek naar, onder andere met ecologen die letterlijk het veld ingaan. Omdat de natuur in de winter anders is dan in de zomer, willen we alle seizoenen meenemen en duurt het onderzoek lang: minimaal een jaar.
Tijdens het onderzoek meten we bijvoorbeeld met ‘bat-detectors’ om te horen welke vleermuissoorten er vliegen en hoe vaak. En onderzoekers brengen broedvogels en trekvogels in kaart. Vormt het gebied een belangrijke route voor trekvogels of leven er zeldzame vogelsoorten? Dan kan het dat windmolens op bepaalde tijden stilgezet worden, of dat we onze plannen moeten aanpassen.
Technisch en fysiek: wind en bodem
We willen natuurlijk dat een windmolen genoeg stroom opwekt. Daarom moeten we precies weten hoe hard het waait op grote hoogte. Dat meten we vaak met een tijdelijke mast of met speciale laserapparatuur vanaf de grond (een LiDAR). We doen ook bodemonderzoek. Een windmolen is zwaar en heeft een stevige fundering nodig. Ingenieurs boren in de grond om te zien of de bodem sterk genoeg is en of er bijvoorbeeld geen bommen uit de Tweede Wereldoorlog of archeologische vondsten liggen.
Sociaal: de omgeving
Voor omwonenden zijn dit vaak de belangrijkste vragen: hoeveel geluid maakt de windmolen en heb ik last van de schaduw? Nederland kent strenge normen voor geluid en slagschaduw, en daar doen we onderzoek naar.
- Geluid: experts rekenen met speciale software uit hoeveel geluid de windmolens op de gevels van omliggende woningen naar verwachting zullen produceren. Hierbij wordt rekening gehouden met windrichting, bodemabsorptie en het type turbine.
- Slagschaduw: als de zon laag staat, dan kunnen de wieken een bewegende schaduw werpen op huizen. Dat kan heel vervelend zijn. Daarom rekenen we vooraf precies uit wanneer dit kan gebeuren. Moderne windmolens hebben een computer die dit ook continu meet. Dreigt er te veel schaduw op jouw huis te vallen? Dan stopt de molen automatisch.
Ook kijken we bijvoorbeeld naar de invloed op zichtlijnen van historische gebouwen of beschermde dorpsgezichten. Deze omgevingsonderzoeken zijn vaak onderdeel van een OER- of MER-procedure
Netwerk: de aansluitingen
Er moet ook ruimte zijn voor stroom op het elektriciteitsnet. Dat onderzoeken we samen met de netbeheerders Enexis en TenneT. En we onderzoeken samen waar de kabels moeten lopen om de windmolens op aan te sluiten.
Meer dan energie: waarde voor de omgeving
Tot slot kijken we bij POB REKS verder dan alleen de windmolens of zonnepanelen. Een energiehub staat namelijk niet op een eiland, maar is onderdeel van de omgeving. We noemen dit de ‘integrale gebiedsopgave’: hoe kan de omgeving méér profiteren van het project dan alleen door de opwek van stroom?
Kunnen we bijvoorbeeld een deel van de opbrengsten investeren in de natuur of gebruiken om de waterhuishouding verbeteren? Kan het project een vliegwiel vormen voor verduurzaming en een lagere energierekening voor omwonenden? Of kunnen we met het project direct stroom leveren op plekken waar het elektriciteitsnet vol zit? En willen we slimme opslagtechnieken (zoals batterijen) toevoegen om het elektriciteitsnet te ontlasten?
Door over deze vragen na te denken, zorgen we ervoor dat een energiehub niet alleen energie levert, maar ook extra waarde toevoegt aan de omgeving.
Goed onderzoek voor goede keuzes
Er komt dus veel kijken bij de ontwikkeling van een energiehub, maar dat is nodig om goede keuzes te maken. Het kost tijd, maar zo zorgen we er wel voor dat onze energiehubs straks duurzame energie leveren en zo goed mogelijk passen in onze omgeving.